Voor wie publiek laadt, is de kWh-prijs op een laadpaal zelden de prijs die uiteindelijk op de factuur staat. De laadpas-aanbieder zit ertussen, en die rekent eigen tarieven, soms eigen toeslagen en bijna altijd eigen sessie- of starttarieven. Het resultaat: aan exact hetzelfde laadpunt kan het ene bedrijf dubbel zoveel betalen als het andere — terwijl de stroom uit dezelfde stekker komt.

Wij hebben in de eerste helft van 2026 negen veelgebruikte laadpassen vergeleken op een vaste set referentiepunten: drie AC-palen (11–22 kW) en drie DC-snelladers (50 en 150 kW), in Antwerpen, Brussel en Namen. Hieronder de belangrijkste vaststellingen.

Het kWh-tarief is maar een deel van het verhaal

Op AC-palen liep het effectieve all-in tarief in onze test van €0,42 tot €0,71 per kWh. Op DC-snelladers van €0,55 tot €0,89 per kWh. Het hoogste tarief was systematisch 60 tot 70 % duurder dan het laagste — op exact hetzelfde laadpunt.

Het verschil zit zelden in het kWh-tarief alleen. Drie elementen verklaren samen 80 % van de spreiding:

  • Sessietarief of starttarief: bij twee passen kostte een laadsessie standaard €0,35 tot €0,50, ongeacht hoeveel u laadde. Voor een korte tussenstop van 5 kWh telt dat hard door.
  • Tijdtoeslag: drie passen rekenden bij DC-snelladen een minutentarief bovenop het kWh-tarief. Wie net iets te lang aan de paal blijft hangen, betaalt fors extra.
  • Roaming-marge: passen die werken via een buitenlandse roaming-partner rekenden in onze test 8 tot 22 % bovenop het lokale CPO-tarief.

Voorbeeld: vertegenwoordiger met 25.000 km per jaar

Voor een typische profielmix — 60 % thuisladen, 30 % AC publiek, 10 % DC-snellaadpaal — komt het jaarlijks verschil tussen de duurste en de voordeligste pas voor een vertegenwoordiger op €620 tot €840 per jaar, per wagen. Voor een fleet van 30 wagens loopt dat snel op tot €25.000 per jaar verschil — louter door de keuze van de laadpas.

De paradox: één pas is zelden de beste keuze

In onze vergelijking was geen enkele pas de goedkoopste op alle drie de segmenten (AC publiek, DC tot 50 kW, DC vanaf 150 kW). De pas met het beste AC-tarief was bovengemiddeld duur op snelladers. De pas met het scherpste DC-tarief had een hoog sessietarief dat AC-laden onaantrekkelijk maakt.

Voor fleets met een gemengd gebruik betekent dat: óf een dual-pass-strategie (één pas voor regelmatig gebruik, één back-up voor afwijkend gebruik), óf een keuze die expliciet gewogen wordt op het verwachte verbruiksprofiel — niet op de tarieventabel zoals die op de website van de aanbieder staat.

Hoe vergelijkt u zelf?

  • Vraag tarieventabellen op voor minstens drie segmenten: AC publiek, DC ≤ 50 kW en DC ≥ 150 kW.
  • Vraag expliciet of er sessie-, start- of tijdtoeslagen gelden, en vanaf wanneer ze tellen.
  • Vraag of het tarief afhankelijk is van CPO of locatie (binnenland versus roaming).
  • Reken het door op uw eigen verbruiksprofiel, niet op een gemiddelde “doorsneechauffeur”.

Wat dit betekent voor fleet-managers

De keuze van een laadpas is geen administratief detail. Voor een fleet vanaf 10 wagens is het potentiële verschil tussen “goede” en “slechte” pas-keuze meestal groter dan het volledige jaarbudget voor onderhoud. Een grondige laadpas-audit verdient zichzelf vrijwel altijd terug, zeker als die gekoppeld is aan een terugbetalingsbeleid voor werknemers met thuislaadpalen.

Lees ook

Wilt u weten welke laadpas-strategie voor uw fleet het meest oplevert? Plan een gesprek met onze fleet-specialist — wij analyseren uw rijprofielen en rekenen door wat u op jaarbasis kunt besparen.